Einde aan ‘verstopte’ vergunningaanvraag

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:829) een nieuwe jurisprudentielijn ingezet met betrekking tot de vergunning van rechtswege. In deze zaak werd verzocht om een omgevingsvergunning in een bezwaarschrift. Het verzoek luidde als volgt:

‘Het is dan ook om die reden dat wij u ook vragen, mochten onze argumenten geen soelaas bieden, om ons een vergunning te verlenen op grond van artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor en een aanlegvergunning volgens artikel 56 van het bestemmingsplan. […]’

Het college heeft dit verzoek om een omgevingsvergunning in het bezwaarschrift niet opgemerkt. De aanvrager betoogde vervolgens dat sprake was van een vergunning van rechtswege en verzocht het college de van rechtswege verleende vergunning bekend te maken. Het college was anders van oordeel en weigerde tot bekendmaking over te gaan. De aanvrager ging rechtstreeks in beroep tegen het niet tijdig bekendmaken van het besluit.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek moet worden aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning en droeg het college op de vergunning van rechtswege bekend te maken.

Het college ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling oordeelde als volgt:

‘De Afdeling zal vanaf nu oordelen dat een verzoek om omgevingsvergunning dat op andere wijze is gedaan, alleen dan een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb is, als voor het bestuursorgaan meteen duidelijk is of kan zijn dat een aanvraag is gedaan. Het dient daarbij altijd te gaan om een zelfstandig stuk. Alleen bij een dergelijke evidente aanvraag kan dus een omgevingsvergunning van rechtswege zijn gegeven. Dit oordeel heeft geen gevolgen voor omgevingsvergunningen van rechtswege die reeds bekend zijn gemaakt met toepassing van artikel 4:20c van de Awb en waarbij de termijn om beroep in te stellen ongebruikt is verstreken. Evenmin heeft dit oordeel gevolgen voor een besluit, waartegen wel rechtsmiddelen zijn aangewend, en waarop een uitspraak is gevolgd die in rechte onaantastbaar is geworden.’

Kortom, met de uitspraak van 20 maart 2019 wordt het onmogelijk gemaakt om een aanvraag voor een omgevingsvergunning te doen in bijvoorbeeld een bezwaarschrift. Indien een aanvraag niet via het Omgevingsloket wordt gedaan, dan moet de aanvraag worden gedaan in een zelfstandig stuk.

De uitspraak van de Afdeling voorziet in overgangsrecht. Vergunningen van rechtswege die bekend zijn gemaakt met toepassing van artikel 4:20c van de Awb èn waarbij de termijn om beroep in te stellen ongebruikt is verstreken vallen niet onder deze nieuwe jurisprudentie. Ook heeft deze uitspraak geen gevolgen voor reeds onherroepelijke vergunningen van rechtswege. Per geval moet worden beoordeeld of deze nieuwe jurisprudentie van toepassing is.

De Afdeling heeft deze nieuwe jurisprudentie in een uitspraak van 27 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:920) bevestigd.

Meer informatie: Charlotte van Sadelhoff, tel. 070 358 89 90