Bestemmingsplannen en alternatieven

Bestemmingsplannen en alternatieven

Bij nieuwe bestemmingsplannen en afwijkingsvergunningen wordt door omwonenden vaak een beroep gedaan op alternatieven. Gemeentebesturen en omwonenden kunnen hun proceskansen vergroten door kennis te nemen van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het toetsingskader wordt steeds duidelijker.

Het is vaste rechtspraak dat de gemeenteraad bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan gehouden is om alle betrokken belangen mee te wegen. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. Illustratief is een uitspraak van 17 oktober 2018. Daarin formuleert de Afdeling het uitgangspunt bij de beoordeling van alternatieven als volgt:

‘De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. De alternatievenafweging kan er dus uit bestaan dat een particulier initiatief als alternatief voor de ruimtelijke ontwikkeling die het plan mogelijk maakt in aanmerking wordt genomen.’(ABRS 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3362, r.o. 4.3).

Deze lijn is anno 2020 nog steeds actueel. Zie onder meer ABRS 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:526, r.o. 8.3 en ABRS 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2439, r.o. 13.3.

In een uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2019 met betrekking tot een omgevingsvergunning wordt het volgende overwogen.

‘De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1015, terecht overwogen dat het bestuursorgaan, in dit geval het college, dient te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning zoals deze is ingediend. Indien een project waarvoor een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk is, op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

Ook deze lijn is anno 2020 nog steeds actueel, zie onder meer ABRS 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1871, r.o. 7.1.

Uit een uitspraak van 20 mei 2020 blijkt dat de Afdeling de beoordeling door gemeentebesturen van aangedragen alternatieven indringend toetst. In die zaak was door omwonenden een alternatief aangedragen voor een Integraal Kind Centrum (IKC). Dit alternatief was gebaseerd op dezelfde uitgangspunten als de voorkeursvariant van het gemeentebestuur, maar de raad had dit alternatief niet beschouwd. De Afdeling overwoog hierover het volgende.

‘Ten aanzien van het door omwonenden aangedragen alternatief van de locatie van de St. Jozefschool voor het IKC, in combinatie met een gymzaal in het Margrietplantsoen, overweegt de Afdeling dat de raad dit alternatief niet buiten beschouwing had mogen laten. In de gekozen voorkeursvariant wordt het IKC immers ook ontwikkeld op een andere locatie dan de gymzaal. Omdat in de plantoelichting is uitgegaan van de voorkeurslocatie aan het Margrietplantsoen en geen acht is geslagen op de voor- en nadelen van mogelijke alternatieve locaties, meer specifiek de locatie van de St. Jozefschool in combinatie met een gymzaal in het Margrietplantsoen, oordeelt de Afdeling dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de afweging ten aanzien van dit door omwonenden aangedragen alternatief heeft plaatsgevonden. In zoverre ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ondeugdelijk is gemotiveerd.’(ABRS 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1264, r.o. 3.3).

Gemeentebesturen doen er goed aan om alternatieven zorgvuldig te beoordelen. Het is raadzaam een inventarisatie van de voor- en nadelen te betrekken bij de besluitvorming. Een weerlegging van een alternatief moet in ieder geval deugdelijk worden gemotiveerd. Voldoende inzicht in de gemaakte afweging is van doorslaggevend belang.

Voor omwonenden die een alternatief aandragen is het raadzaam dezelfde (beleids)uitgangspunten te hanteren als het gemeentebestuur. Bovendien moet het alternatief voldoende concreet zijn en tijdig bekend worden gemaakt. Indien aantoonbaar een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren kan dit het gemeentebestuur nopen de medewerking aan het oorspronkelijke plan te weigeren.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Margot de Buck of Martijn Fleers, tel. 070 358 89 90.